in hoever zijn de wetten van mendel nog toepasbaar op de huidige hondenfokkerij.
een voorzet met dank aan het boekje moderne fokkerswijsheden en genetica voor dummies.
ik blijf even bij het dominante en recessieve gen.
Mendel koos voor zijn erwten experiment 7 kenmerken van deze plant
de zaadkleur, vorm van het zaad, kleur van de zaadbedekking, kleur van de peul, vorm van de peul en planthoogte en bloempositie.
zaadkleur geel is dominant en zaadkleur groen is de recessieve vorm
ronde vorm van het zaak is dominant en de gerimpelde versie is recessief
kleur van de zaadbedekking is dominant grijs en de witte vorm is recessief
bij de kleur van de peul is groen dominant en geel recessief
de bolle vorm van de peul is dominant en de strakke vorm is recessief
de planthoogte en dan de hoge vorm is dominant en de lage vorm is recessief
bloempositie langs de stam is dominant en de bovenaan de stam is recessief.
tien jaar lang kweekte mendel geduldig allerlei varianten van erwten met verschillende kleuren bloemen, vorm van zaad , aantallen zaden enzovoorts.
met kruisen bracht hij ouderparen bij elkaar om te zien hoe groot hun nakomelingen waren.
de oorspronkelijke planten die hij gebruikte waren raszuiver. Als rasechte planten de kans krijgen om zichzelf te bevruchten zijn alle eigenschappen generatie na generatie exact gelijk. dus als hoge planten zichzelf bestuiven blijf je hoge planten krijgen. dit geldt dus ook voor de lage planten
Mendel gebruikte eigenlijk alleen twee vormen voor zijn studies. dus laag of hoog, geel of groen. Zo werd het veel gemakkeliker om die eigenschappen te bestuderen. Alleen fenotypisch dus.
Dominantie vaststellen
voor het vervolg van de experimenten kruiste hij rasechte planten met ronde zaden met rasechte planten met gerimpelde zaden. Lage met hoge planten enzovoorts. Mendel bracht stuifmeel van plant naar plant over en je kunt je voorstellen dat hij dus duizenden zaden had op een gegeven moment.
Telkens als hij rasechte planten met verschillende fenotypen met elkaar kruistte hadden alle F1 nakomelingen hetzelfde fenotype als 1 van de ouderplanten. Als hij dus een hoge plant met een lage plant kruiste waren alle nakomelingen hoog. Dus geen vermenging van de kenmerken.
Daarna liet hij deze F1 nakomelingen zichzelf bevruchten. F2 nakomelingen dus. 25% was laag en 75% was hoog.
Het hele vreemde is dat uit de F2 generatie bleek na zelfbestuiving dat de lage planten rasecht waren. ze produceerden allemaal lage dochterplanten. De hoge F2 planten produceerden zowel lage als hoge planten.
hij kwam dus tot de conclusie dat factoren zoals grootte, kleur enz. in sets van 2 werkten. Hij kwam tot deze conclusie omdat 1 fenotype aanwezig was in de F1 planten maar beide typen in de F2 planten. Er is dus een factor die ook in de F1 voorkwam maar niet zichtbaar was.
goed wie volgt en maakt mijn verhaal verder af. In hoeverre is Mendel dus nog steeds van toepassing in de huidige fokkerij.



