Dit is een stukje over nurture or nature bij de mens. Ik persoonlijk in 50% nature en 50% nurture.
http://www.scholieren.com/werkstukken/37664" onclick="window.open(this.href);return false;
Nature & Nurture, wat heeft meer invloed op de mens? Aanhangers van de Nature-theorie beweren namelijk dat de eigenschappen bij de mens vooral erfelijk bepaald zijn. Aanhangers van de Nurture- theorie beweren juist, dat de omgeving hiervoor verantwoordelijk is. Sinds de termen “Nature en Nurture” tegenover elkaar zijn gezet door Galton, in 1869, zijn de discussies erover nooit gestopt. Ook zijn er sindsdien talloze onderzoeken uitgevoerd, om meer informatie te verkrijgen over de erfelijkheid en omgevingsinvloeden. In het begin waren de meeste onderzoeken kleinschalig, dat leverde vaak tegenstrijdige resultaten op. Tegenwoordig zijn er meer uitgebreide onderzoeken, die veel betrouwbaarder zijn dan daarvoor. Ondanks al deze onderzoeken (en steeds nieuwere technieken) is men nog steeds niet uitgepraat over de termen “Nature & Nurture”. Wel kiezen steeds meer wetenschappers de neutrale kant, zij vinden namelijk dat Nature & Nurture ongeveer evenveel invloed uitoefenen op de mens.
Nature & Nurture
Sommige wetenschappers denken dat mensen zich gedragen volgens hun genetische aanleg of zelfs dierlijke intuïties. Dit is beter bekend als de “Nature” theorie van het menselijke gedrag. Andere wetenschappers geloven dat mensen denken en gedragen op bepaalde manieren omdat ze dat zo zijn aangeleerd. Dit is beter bekend als de “Nurture”theorie van het menselijke gedrag.
Welke rol spelen de genen in de ontwikkeling van de mens? (waar staat Nature voor?)
Je haren (en kleur), oogkleur, huidskleur, lichaamsbouw, (grotendeels) lengte, en andere fysieke eigenschappen heb je te danken aan je genen ofwel DNA (Deoxyribonucleic Acid) die je geërfd hebt van je ouders. Deze eigenschappen staan al vast bij je geboorte, en veranderen niet naarmate je ouder wordt.
Voorstanders van Nature vinden dat de eigenschappen bij de mens vooral erfelijk bepaald zijn. Ook beweren zij dat meer abstracte eigenschappen zoals intelligentie, persoonlijkheid, agressie en seksuele oriëntatie ook gecodeerd zitten in het menselijke DNA. Een aantal argumenten hiervoor zijn o.a.:
• Als genetica geen rol zou spelen, dan zouden twee-eiige tweelingen, grootgebracht onder dezelfde omstandigheden, hetzelfde zijn, ongeacht de verschillen in hun genen. Maar inmiddels hebben verschillende studies aangetoond, dat twee-eiige tweelingen meer gelijkenis vertonen met elkaar dan andere broers of zussen, die geen tweeling zijn, met elkaar. Ook als ze apart groot zijn gebracht, vertonen twee-eiige tweelingen deze opvallende gelijkenissen. Zie bijlage voor de studies die hiervoor zijn uitgevoerd.
• Niet alleen twee-eiige tweelingen, maar ook identieke tweelingen, die samen of apart grootgebracht zijn, vertonen opvallend veel (meer dan twee-eiige tweelingen) gelijkenissen met elkaar. In de Amerikaanse stad Minneapolis bestudeert men eeneiige tweelingen die na de geboorte zijn gescheiden, in verschillende adoptiegezinnen opgroeiden en elkaar na een jaar of dertig weer tegenkwamen. Er blijken dan de meest opvallende overeenkomsten te zijn, niet alleen in kapsel of het aantal ringen dat men draagt, maar ook in beroepskeuze, wijze van praten en bewegen, verlegenheid of juist zelfverzekerdheid, humor en zelfs politieke voorkeur. De onderzoekers concluderen dat de meeste menselijke eigenschappen (zelfs karaktertrekken) erfelijk zijn en dat de opvoeding niet zo doorslaggevend is als de laatste decennia is gedacht. De belangrijkste invloed op de mens zijn zijn genen.
De bekendste identieke tweelingen, die apart zijn grootgebracht, zijn o.a.: Jim Springer en Jim Lewis, Gerald Levey en Mark Newman, de joodse Jack Yufe en Oskar Stoh, die als een Nazi werd grootgebracht.
Het eerste paar, Jim Springer en Jim Lewis, toonden bij hun ontmoeting na ongeveer 39 jaar opvallend veel overeenkomsten, terwijl ze vijf weken na hun geboorte gescheiden werden van elkaar. Ze vertoonden opvallend veel overeenkomsten in smaak (drank, soort auto, sigaretten, etc.) als in naamkeuze en beroepskeuze. Ook hadden ze beide bijna geheel identieke hersengolven en IQ’s. Ze hadden beide dezelfde stem intonaties en medische problemen. En als toppunt: de resultaten van hun persoonlijkheidstesten waren niet te onderscheiden van elkaar. Zo waren er nog meer identieke tweelingen die op hetzelfde manier opvallend veel gelijkenissen vertoonden na tientallen jaren. (Deze plotselinge ontdekking heeft als gevolg veel vragen ter sprake gebracht, want kan je er nu van uitgaan dat je deze overeenkomsten ook echt aan je genen te danken hebt? Als het gaat om hobby ’s en beroepskeuze is er wel een mogelijkheid, namelijk dat het komt doordat onze genen zo in elkaar zitten dat men een bepaalde voorkeur creëert voor een bepaald beroep of hobby. Bijvoorbeeld Lewis & Springer die beide dienden als schout assistent/adjunct en Levey’s & Newman’s keuze om vrijwilligerswerk te doen als brandbestrijders en zo zijn er wel meer.)
• Onderzoekers beweren dat men een bepaald gen bezit. Een voorbeeld hiervan is de een gen dat je aanzet tot verslavend gedrag (er bestaat geen specifieke gen voor alcoholverslaving of drugsverslaving, wel een bepaald gen dat je aanzet tot verslavend gedrag), dit gen kan voor positieve maar ook negatieve gevolgen zorgen. Het ligt er namelijk aan hoe deze gen tot expressie komt, dat ligt weer aan je omgeving en opvoeding.
• Intelligentie is vooral erfelijk bepaald, want naarmate een kind opgroeit, wordt de ontwikkeling van zijn of haar IQ (intelligentie) steeds sterker bepaald door erfelijkheid. Bij een vijfjarig kind bepaalt de erfelijke aanleg voor zo’n 30 procent de intelligentie. Bij een zevenjarige is dat 40 procent, bij een twaalfjarige 60 en bij volwassenen meer dan 80 procent. De invloeden van alle omgevingsfactoren samen, waaronder ouderlijk milieu, vriendenkring, levensloop en onderwijs, is dus verminderd tot minder dan 20 procent. Zie bijlage voor meer over het onderzoek.
• Onderzoekers beweren dat men voor de meeste eigenschappen die we bezitten een bepaald gen hebben. Onlangs meenden een aantal onderzoekers een belangrijk gen te hebben gevonden, een gen dat je zou aanzetten tot verslavend gedrag (dus geen specifieke gen voor alcoholverslaving of drugsverslaving, wel een bepaald gen dat je aanzet tot verslavend gedrag). Dit gen kan voor positieve maar ook negatieve gevolgen zorgen. Het ligt er namelijk aan hoe dit gen tot expressie komt, dat ligt weer aan je omgeving en opvoeding. Je raakt hierdoor eerder en langer aan iets verslaafd, de één aan alcohol en de ander aan postzegels…
• Bij de geboorte ligt in grote lijnen al vast wie u bent, want de persoonlijkheid wordt voor meer dan de helft bepaald door de genen, de erffactoren die we van onze ouders meekrijgen. Deze ontdekking heeft heel wat teweeg gebracht. Tot voor kort heerste namelijk de opvatting dat de kindertijd zo belangrijk zou zijn en dat je je karakter daarom grotendeels te danken hebt aan je kindertijd. Wanneer men niet lekker in zijn vel zat werd hem/haar het walhalla beloofd door psychologen en psychiaters, als ze maar eenmaal zouden ontdekken wat er in hun kindertijd had afgespeeld. Maar sinds het bekend is dat je karakter (persoonlijkheid) grotendeels wordt gevormd door je genen, is deze opvatting dan ook vrijwel gelijk verworpen door veel psychologen en psychiaters. Onderzoeken hebben onder meer aangetoond dat ook criminaliteit en alcoholgebruik grotendeels te wijten is aan je (biologische) ouders. Als een kind zowel biologische als adoptieouders zonder strafregister heeft, is de kans dat het kind het slechte pad opgaat slechts drie procent. Heeft het kind goede biologische ouders maar komt het in een verkeerd adoptiegezin terecht dan stijgt de kans op misdadig gedrag licht, tot zeven procent. Foute biologische ouders en een goed adoptiegezin leiden tot een kans van twaalf procent. Verkeerde biologische ouders en adoptiegezin verhogen de kans op misdadig gedrag tot veertig procent. Vergelijkbare waarnemingen tonen aan dat adoptiekinderen van wie één van de biologische ouders alcoholist is, hebben viermaal zo hoge kans om later zelf verslaafd te raken. Kinderen van wie de biologische ouders niet verslaafd zijn worden daarentegen vrijwel nooit alcoholist.
Met andere woorden, de invloeden van de biologische ouders is een stuk groter dan van de opvoeding.
• Seksuele oriëntatie: hierbij wil ik me verder verdiepen in de homoseksuele kwestie waarover tegenwoordig veel onderzoek naar wordt gedaan. Volgens de Nature aanhangers ligt het aan je genen of je homoseksueel wordt of niet:
Één van de meest onderzochte onderwerpen van tegenwoordig is homoseksualiteit, men wil namelijk weten of het erfelijk is of een gevolg is van omgevingsinvloeden. Veel onderzoeken hebben aangetoond dat homoseksualiteit erfelijk is. Onderzoek toonde verschillen aan tussen hetero’s en homo’s. Hieruit is gebleken dat homoseksuele mannen een veel kleiner hypothalamus hebben dan hetero mannen. Dat zou een gevolg zijn van verkeerde genen in een gezond lichaam.
Hieronder is Sven Bocklandt, een Vlaamse biotechnoloog, aan het woord over de erfelijkheid van homoseksualiteit:
--------------------------------------------------------------------------------------------------------
Is homoseksualiteit een fantasie van een zieke geest, of een aangeboren eigenschap in een gezond lichaam?
Er woedden hevige discussies over het onderzoek naar de biologische basis van homoseksualiteit, maar de onderzoekers zelf zijn er zeker van: het gaat om een aangeboren voorkeur. “Homoseksualiteit is zo oud als man en vrouw”, zegt onderzoeker Sven Bocklandt, een Vlaamse biotechnoloog die aan de Amerikaanse topinstelling National Institutes of Health werkt. “Het aangeboren verschil tussen homo’s en hetero’s werd voor het eerst ontdekt toen hersenen van dode homo’s onderzocht werden. Er was één uitgesproken verschil: niha 3, een hersencentrum dat in de hypothalamus ligt, was de helft kleiner bij homomannen. Bij homo’s was het even groot als bij vrouwen, die ook een kleinere niha3 hebben.” Diep in onze hersenen liggen vlak naast elkaar vier centra die seksuele opwinding, respons en voorkeur bepalen: niha1, 2, 3 en 4. “Hoe ze precies werken weten we niet, maar niha 3 was het enige centrum dat in grootte verschilde tussen mannen en vrouwen, en tussen homomannen en heteromannen. Of er een verschil is tussen lesbiennes en heterovrouwen hebben we nog niet kunnen onderzoeken. Bij autopsie van lijken staat wel op de medische fiche of iemand homo is, maar lesbienne staat er bijna nooit op. De hypothese is dat niha 3 bij hen groter is dan bij andere vrouwen. Voorlopig concentreren we ons op onderzoek naar homoseksualiteit bij mannen.” Dat ook in de dierenwereld homoseksuele mannetjes een kleiner sneeuwvlokje in de hersenen hebben, sterkt de overtuiging dat homoseksualiteit aangeboren is. “Bij rammen is dat heel duidelijk: 8 procent van alle mannelijke schapen is homoseksueel, en zij hebben allen een kleinere niha 3. Homoseksualiteit uit zich bij dieren eveneens door een verschil in de hersenen. Bij ratten, fretten, cavia’s, makaakapen werd evenzeer een verschil in grootte teruggevonden. Homoseksualiteit moet zowel natuurlijk als aangeboren zijn. Mijn stelling is dat het zo oud is als man en vrouw. Er zijn enorm veel verschillen tussen man en vrouw, en het aanschakelen van de juiste genen zorgt ervoor dat we alle kenmerken van een meisje of jongen krijgen. Een van die genen moet ook de juiste seksuele voorkeur aanschakelen, maar regelmatig wordt er een foutje gemaakt. Een jongen krijgt dan de seksuele voorkeur die normaal bij vrouwen hoort.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------
Wat we niet begrijpen..vrezen we...wat we vrezen zullen we vernietigen.
lydia