INLEIDING
Een patella luxatie komt regelmatig voor bij de hond, sporadisch bij de kat. Bij een patella luxatie raakt de patella of knieschijf buiten zijn normale spoor (trochlea) en komt in de meeste gevallen aan de binnenkant, in andere gevallen aan de buitenkant van het kniegewricht terecht. Omdat kniegewricht en ellebooggewricht in een soort spanzaagmechanisme met elkaar samenwerken, is het bij het afglijden van de knieschijf niet meer mogelijk de poot te belasten.
Als een patella luxatie leidt tot kreupelheid is het meest kenmerkende beeld als volgt, afhankelijk van de ernst van de afwijking:
Normaal lopen (dus niet kreupel), maar min of meer regelmatig wordt gedurende 1 of enkele passen het betreffende pootje niet belast en hoog opgetild. Dus de hond loopt op het betreffende pootje of helemaal goed of helemaal niet. In ernstige gevallen belast de hond de betreffende constant helemaal niet.
In een aantal gevallen is een operatie nodig. In veel gevallen redt de hond zich prima zonder operatie, ook op de lange duur!
Kniegewricht
OORZAAK
Een patella luxatie is een aangeboren afwijking. Het is ook een erfelijke afwijking, hetgeen natuurlijk consequenties heeft voor de fokkerij.
De patella zit ingebed in de pees die de grote sterke spieren aan het voorbovenbeen (quadriceps) verbindt met de benige kam (crista) aan de voorbovenkant van het onderbeen. De knieschijf loopt normaliter in een gleuf (trochlea) in het gedeelte van het bovenbeen, dat deel uitmaakt van het kniegewricht. Het feit dat de knieschijf uit zijn spoor loopt wordt veroorzaakt door fouten in de bouw van het skelet, zoals een ondiepe, soms zelfs afwezige trochlea, een min of meer gedraaid of gebogen onderbeen, een scheve aanhechting van de quadriceps.
Zoals reeds opgemerkt, de afwijking is erfelijk! We zien het meestal bij kleine rassen, zoals de kleine Poedel, Yorkshire terriër, Papillon en Pekingees, maar ook bij iets grotere zoals Spaniëls en hele grote zoals de Pyreneese Berghond.
Afhankelijk van de mate waarin een knieschijf luxeert onderscheiden wij verschillende gradaties:
Gradatie I
In dit geval kan de knieschijf met de hand worden geluxeerd, maar deze springt direct spontaan weer terug. De knieschijf zit weliswaar wat los, maar loopt gewoon in het spoor. Meestal geeft deze situatie dan ook geen klachten, en als er toch wel klachten zijn dan beperken die zich tot een zeer sporadisch optillen van het betreffende pootje tijdens het lopen. De vraag is of we bij zo'n geringe afwijking wel moeten gaan opereren. Ik vind van niet. In de meeste gevallen past de hond zijn stand aan en heeft hij er totaal geen hinder meer van. Hij kan er probleemloos mee verder leven. Een operatie zou hier niet terecht zijn. Bovendien moet men zich realiseren, dat een operatie altijd nog kan. In het algemeen zullen er weinig veranderingen in het gewricht optreden, zodat een operatie ook op een later tijdstip nog succesvol kan worden uitgevoerd.
Gradatie II
In dit geval kan de knieschijf met de hand worden geluxeerd, maar nu ook spontaan luxeren bij het buigen van het kniegewricht. De knieschijf blijft geluxeerd totdat hij handmatig weer terug in het spoor gebracht wordt of de hond zelf zijn poot strekt en draait. In deze gevallen zien we dat de hond vaker en langer het betreffende pootje optilt. Als hij er op loopt, is er geen sprake van kreupelheid. In dit geval is een operatie te overwegen.
Gradatie III
In dit geval is de knieschijf de meeste tijd geluxeerd. Hij kan wel handmatig in het spoor terug gedrukt worden, maar hij springt direct weer terug in geluxeerde toestand. Deze patiënten ontlasten het betreffende pootje vrijwel continu. Hier moet operatief worden ingegrepen.
Gradatie IV
In dit geval blijft de knieschijf permanent geluxeerd, maar kan nu ook handmatig niet meer worden teruggelegd. Vaak zien we hier een rotatie van het onderbeen, ontbreken van de gleuf (trochlea), of een verkeerde aanhechting van de quadriceps. Hier is dus sprake van een ernstige bouwfout. Deze patiënten ontlasten permanent het betreffende pootje. Deze patiënten moeten geopereerd worden.
OPERATIE
Gradatie I
De patiënten met patella luxatie gradatie 1 moeten in de regel niet geopereerd worden. Onder het motto: het kan altijd nog en grote kans dat het nooit nodig zal zijn.
Gradatie II en III
De gradatie II en III patiënten moeten geopereerd worden. De meest eenvoudige operatie is het maken van een ontspanningssnede in het gewrichtskapsel aan de kant waarheen de knieschijf luxeert en het inkorten van het gewrichtskapsel aan de andere kant, waardoor de knie schijf gedwongen wordt de goede richting te kiezen. Ook is het mogelijk om middels een teugeltje de knieschijf in de juiste richting te dwingen. Toch zijn deze methodes vaak niet voldoende en daarom hebben wij deze verlaten.
In de meeste gevallen (gradatie II en III) maken we de crista los van het onderbeen. De knieschijf zit middels een pees vast aan die crista. We verplaatsen de crista naar beneden en opzij (tegenovergesteld aan de luxatie richting). Hiermee zetten we spanning op de pees aan de knieschijf en dwingen tevens de knieschijf de andere richting op; hierdoor blijft de knieschijf beter in het spoor. Meestal maken we de trochlea nog wat dieper. Bij een kleine hond en een kat wordt de crista met een cerclage (dat is een roestvrijstalen knoophechting) of bij een grote hond met 2 pinnetjes weer aan het bovenbeen bevestigd.
Gradatie III en IV
In ernstige gevallen (gradatie III - IV) is het noodzakelijk om de gleuf verder uit te diepen of zelfs pootstand correcties uit te voeren om de loop van de knieschijf te normaliseren.
PROGNOSE
In principe is het resultaat van de operatie, dat in meer dan 90% van de gevallen de patiënt na de operatie klachtenvrij is. De herstelperiode duurt 6 - 8 weken; na 12 weken moet de patiënt volledig klachtenvrij zijn. We hebben het dan over de operatie waarbij de crista verplaatst wordt en de trochlea uitgediept
NABEDHANDEDLING
Na de operatie is het verstandig om de patiënt gedurende de eerste 6 - 8 weken aan de lijn uit te laten. In de daarop volgende 4 weken kan de beweging weer worden opgevoerd. Na 12 weken moet de patiënt weer in staat zijn alles te doen zonder kreupelheid. Wij adviseren tijdens de postoperatieve fase 3 weken Metacam te geven. Metacam is een ontstekingsremmer (nsaid) en pijnstiller. Het voordeel van Metacam is dat het vloeibaar is en zeer goed door de maaltijd gemengd kan worden, hetgeen een veel minder grote belasting betekent van het maagdarmkanaal. Daarnaast adviseren wij het middel Cosequin te geven gedurende 6 -12 weken. Cosequin is een voedingssupplement ter verbetering van de kwaliteit van het gewrichtskraakbeen en de gewrichtsvloeistof.
bron:
http://www.whgdierenartsen.nl/