Om een hoop getik te besparen even een knip- en plakker:
Vaccinatie
De meeste vaccins die tegenwoordig worden gebruikt, kunnen worden ondergebracht in drie groepen. De eerste groep omvat vaccins die bestaan uit dode bacteriën of virussen. Er bestaan diverse methoden om micro-organismen te doden, waaronder verhitting of toevoeging van chemicaliën zoals formaldehyde. Op deze wijze blijft de structuur van de molekulen op het oppervlak van micro-organismen behouden. Deze molekulen kunnen de produktie van antistoffen nog steeds op gang brengen, maar de dode micro-organismen kunnen geen ziekte meer veroorzaken. Een voorbeeld van een dood-virusvaccin is het Salk-vaccin tegen polio. Dit dient men als injectie toe.
De tweede groep omvat vaccins die levende, verzwakte virussen bevatten. Het organisme kan nog steeds een infectie veroorzaken en het immuunsysteem stimuleren, maar het kan geen ziekte veroorzaken. Men kan virussen en bacteriën verzwakken door ze vele malen te laten delen in dieren, in celkweken of onder ongebruikelijke omstandigheden, zoals bij extreme temperaturen of in een zuurstofloze omgeving. Men laat de celdelingen doorgaan totdat verzwakte mutanten zijn ontstaan.
Jenner’s gebruik van de koepok om mensen te beschermen tegen pokken is een voorbeeld van een verzwakt-virusvaccin. Het verzwakte virus bestond al in de natuur: het koepok-virus lijkt zoveel op het pokkenvirus dat antistoffen tegen de koevariant ook beschermen tegen de voor de mens gevaarlijke vorm van pokken. Een ander voorbeeld van een verzwakt-virusvaccin is het Sabin-vaccin tegenpolio, dat via de mond wordt ingenomen.
De derde groep vaccins betreft geïnactiveerde bacteriële toxinen. Sommige bacteriën veroorzaken namelijk ziekten door giftige chemicaliën, toxinen, in de bloedbaan uit te scheiden. Inactivering van het toxine maakt het onschadelijk zonder diens vermogen om het immuunsysteem te stimuleren uit te schakelen. Na inactivering heten de toxinen toxoïden. De vaccins tegen difterie en tetanus zijn voorbeelden uit deze groep.
Levende vaccins hebben verschillende voordelen ten opzichte van dode vaccins. De micro-organismen in het levend vaccin zullen zich nog vermenigvuldigen in de gastheer, zodat één injectie met een lage dosis al voldoende antigeen oplevert. In het geval van dode vaccins zijn vaak verscheidene injecties met hoge doses nodig.
Normaal gesproken zijn levende, delende micro-organismen nodig om een langdurig immunologisch geheugen tot stand te brengen. Dit komt waarschijnlijk doordat virus-geïnfecteerde cellen de produktie van cytotoxische T-lymfocyten en de bijbehorende geheugencellen stimuleren.
Het gebruik van levende vaccins kent ook nadelen. Zo kan een verzwakt micro-organisme in de gastheer verder muteren en zijn immuniserend vermogen verliezen. Het kan zelfs zijn ziekteverwekkende eigenschappen terugkrijgen. Zo keert in één op de drie miljoen toegediende Sabin-vaccins het virus terug naar zijn oorspronkelijke, virulente vorm. Wanneer zo’n mutatie optreedt, vormt dat een risico voor iedereen die met de gevaccineerde in direct contact komt. Deze persoon verspreidt namelijk de virusdeeltjes.
Het gebruik van levende vaccins levert ook een praktisch probleem op. Dit type vaccin moet namelijk koel worden bewaard. Koelkasten zijn echter niet in alle landen zo’n normaal gebruiksvoorwerp als in bijvoorbeeld Europa. Zowel levende als dode vaccins kunnen verontreinigingen bevatten, waaronder fragmenten van de cellen waarin de virussen of bacteriën zijn gekweekt. Deze kunnen ongewenste bijeffecten veroorzaken.
(bron:
www.kennislink.nl)
Kort gezegd: dode vaccins werken korter. En moet je dus vaker enten. Naar ik meen is alleen de Weil enting een dood-vaccin en de rest, dus waar nu 3 jaar voor staat, levend verzwakt.